Godsdiensttwisten in Oisterwijk

De Franse tijd betekende voor de inwoners van het voormalige Staats-Brabant een ware bevrijding: ze waren niet langer kolonie van de Zeven Provinciën en er kwam voor het eerst vrijheid van godsdienst. De kerken die na 1648 aan de hervormden waren overgedragen kwamen stuk voor stuk weer in handen van de katholieken, die hier altijd veruit in de meerderheid waren gebleven.

 

Voor veel uit het noorden geparachuteerde dominees, die nu naar het tweede plan werden geschoven, waren de druiven zuur. Dat wordt fraai geïllustreerd in het fragment op deze pagina uit ‘Reize door de Majorij van ‘s-Hertogenbosch’ (1798-1800), waarin een rondreizend hervormd predikant – waarschijnlijk ds. Hanewinkel – zich voortdurend ergert aan ‘domheid, dweepzucht, bijgeloof en onverdraagzaamheid’ van de Brabantse katholieken, zoals hij het elders in zijn reisverslag formuleert.

Lees in Hanewinkels verslag van zijn bezoek aan Oisterwijk hoe de hervormde pot de roomse ketel verwijt geen respect te hebben voor andere religies (deel II, p. 12-13).

De hervormde pot verwijt de roomse ketel...
“De Roomschgezinden hebben het in voorige tijden hier zeer bont gemaakt, want in den jaare 1728 meenden zij hier alles onder hunne magt te brengen, zij poogden ten dien einde met geweld in het huis van den Predikant te breeken, en daar den zetel hunner woede te vestigen, doch dit hun voornemen wierd nog tijdig verijdeld. In het begin van dit jaar wierden herwaarts afgevaardigden van agttien of twintig Roomsche Gemeentens gezonden, om middelen te beraamen, waardoor men de Kerken der hervormden in zijn de magt zou kunnen krijgen. Dan – wat ‘er beraadslaagd is, welke de uitslag van deze samenkomst geweest is, heb ik niet te weeten kunnen komen, men maakt ‘er een diep geheim van, doch waarschijnlijk heeft men het niet eens kunnen worden. Iets heb ik hier gezien, het geen mij met afgrijzen vervulde. Zie hier, wat ik bedoel: voor de herberg, waarin ik mij bevond, stonden eenige Jooden op de straat met elkanderen te spreeken, zij beledigden niemand. Eenige Roomschgezinden zich met mij in die herberg bevindende, en deez Israëlieten ziende, gaven hunne haat tegen deeze menschen, die hen niets gedaan hadden, met woorden en gebaarden zeer duidelijk te kennen; zij spoogen, zoo dikwijls zij hunne oogen op die Jooden sloegen, met eene diepe verächting op den grond, trokken allerlij lelijke gezigten, vloekten op hen, en noemden hen verdoemde Smousen, hun tevens alle kwaad toewenschende. Dit ergerde mij geweldig, doch ik vond het niet raadzaam om die jooden, hoe gaarne ik ook gewild had, te verdeedigen, maar zweeg dood stil, want ik dacht, dat men mij anders wel met gevoelige redenen zou overtuigd hebben, dat het eenen Geus niet past, om de zaak van eenen Israëliet te bepleiten. Zwijgen best! dit was alles, waarmede ik mij eenigzints kon ten vrede stellen. – Doch! hoe hard valt het niet voor een hart, dat wel denkt, wanneer het onschuldigen hoort latsren, vervloeken en alle kwaad toewenschen, zonder dat het dezelve, uit vrees, durft verdeedigen. – – Kan zulk een Godsdienst, die anderen vloekt en verdoemt, wel de Godsdienst van den menslievenden Jezus zijn? – Immers zeer neen! -“

Hieronder het bezoek van Lodewijk Napoleon aan Oisterwijk op 18 april 1809, nagespeeld in 2012 ter gelegenheid van ‘800 jaar’ Oisterwijk.

De koning moest de knoop doorhakken in de patstelling over de vraag wie de Petrus-kerk zouden krijgen: de katholieken of de hervormden.