Is dat nou wel zo? -›

Niet zo…

 

…maar zo

 
Vermomd als metselaar vlucht Hugo de Groot naar Antwerpen. (Gemeentearchief Waalwijk.)
Vermomd als metselaar vlucht Hugo de Groot naar Antwerpen. (Gemeentearchief Waalwijk.)
De biografie van Hugo de Groot door Brandt en Van Cattenburgh uit 1727 staat tegenwoordig in digitale vorm online. Vanaf pagina 242 (PDF-pagina 279) wordt het verhaal van de ontsnapping uit Loevestein verteld.
De biografie van Hugo de Groot door Brandt en Van Cattenburgh uit 1727 staat tegenwoordig in digitale vorm online. Vanaf pagina 242 (PDF-pagina 279) wordt het verhaal van de ontsnapping uit Loevestein verteld.
Helaas vergaten de samenstellers van de 'Bosatlas van de geschiedeniscanon' Brandt en Van Cattenburgh te raadplegen. In de atlas vinden leerlingen van het basisonderwijs de fabel van Hugo's overnachting in De Zwaan als 'vermoedelijk' historisch feit in kaart gebracht.
Helaas vergaten de samenstellers van de 'Bosatlas van de geschiedeniscanon' Brandt en Van Cattenburgh te raadplegen. In de atlas vinden leerlingen van het basisonderwijs de fabel van Hugo's overnachting in De Zwaan als 'vermoedelijk' historisch feit in kaart gebracht.

Ging Hugo de Groot inderdaad aan herberg De Zwaan voorbij?

Onze oude leermeesters peperden het ons al in. Bij historisch onderzoek altijd oppassen voor twee beruchte valkuilen: naar gewenste conclusies toe redeneren en fouten van anderen klakkeloos overnemen.

De wijze waarop de roemruchte legende van Hugo de Groots overnachting in herberg De Zwaan in Loveren bij Baarle-Nassau/-Hertog ongecontroleerd wist door te dringen tot de canon van de vaderlandse geschiedenis moge dat illustreren.

Gelukkig leerden we ook hoe we ons tegen die valkuilen kunnen wapenen. Onder meer door de vuistregel toe te passen: bij twijfel terug naar de bron.

 

De onderzoeksresultaten die de heemkundeliefhebber pater Loffeld in 1973 in Ons Weekblad over het legendarische verblijf van Hugo de Groot in Loveren publiceerde, worden sindsdien in brede kring aanvaard als onderbouwing voor het verhaal: Hugo reisde op zijn vlucht naar Antwerpen waarschijnlijk via Loveren en in dat geval overnachtte hij er waarschijnlijk in herberg De Zwaan, hoewel het allemaal niet zeker is.

 

De centrale vraag voor Loffeld was welke route Hugo had genomen, nadat hij op 22 maart 1621 omstreeks zes uur in de avond uit Waalwijk was doorgereisd (dat laatste stond vast). Er kwamen naar zijn mening drie routes in aanmerking: een westelijke over Dongen en Breda, een oostelijke over Tilburg, Poppel en Turnhout en een daartussenin – tevens de kortste – via Tilburg en Loveren bij Baarle-Nassau/Baarle-Hertog, de weg die wij kennen als Marikenpad.

Alles afwegende leek die middelste route hem het meest voor de hand liggend.

Loffeld zelf vond de westelijke route via Breda niet erg waarschijnlijk omdat Hugo dan een groot deel van de reis over Staats gebied had moeten afleggen, waar de soldaten van Maurits hem zouden kunnen zoeken. Het is nogal merkwaardig dat in de overlevering deze omweg nog altijd als een serieus alternatief wordt vermeld. Waarom zou Hugo het noodlot hebben getart door kort na op veilige Spaanse bodem (Waalwijk) te zijn aangekomen zonder enige noodzaak alweer vijandelijk gebied in te gaan voor een lange doortocht nota bene via Oranje-bolwerk Breda? Volstrekt ongeloofwaardig.

Het was dus een van de twee: de gangbare route via Baarle of de oostelijke ‘veilige’ omweg over Turnhout. Loffeld komt niet tot een eenduidige keuze tussen die twee, maar hij heeft wel een voorkeur.

Om het Staatse gebied geheel te vermijden had De Groot de route over Turnhout moeten nemen. Daaraan kleefden echter twee nadelen: het was een omweg, en het was niet zeker of de wegen daar begaanbaar waren.

De middelste route over Loveren was de kortste en meest gebruikte route. Nadeel: van Riel tot voorbij Baarle ging het dan toch door Staats gebied. Loffeld meende echter dat dat risico wel meeviel. Sommige gebiedsdeeltjes in Baarle waren ook Spaans. Herberg De Zwaan stond zelfs half op Staats, half op Spaans grondgebied. Bovendien waren vijandelijkheden er gedurende het Twaalfjarig Bestand, dat nog steeds gold, nagenoeg achterwege gebleven. Conclusie: deze route was het meest waarschijnlijk.

Voor Loffeld was dit antwoord op de vraag of Hugo via Loveren was gereisd van doorslaggevend belang om de andere vraag te beantwoorden: sliep hij in Herberg De Zwaan? De aannemelijkheid van die overnachting hing er grotendeels van af en – nogal kort door de bocht – concludeerde hij dan ook: ‘Na een zware reis van meer dan 50 km (Gorcum-Baarle) kon Hugo hier overnachten.’

 

In het betoog van Loffeld zitten wel meer gemakkelijke en onrealistische veronderstellingen. Zo meent hij dat Hugo vanaf Loveren een lift kan hebben gekregen op de postwagen van de postiljon, niet beseffend dat de postiljons die op Loveren reden ruiters te paard waren. Ook bewandelt hij nu en dan zijpaden, die weinig relevantie hebben voor het hoofdthema, zoals uiteenzettingen over een Romeinse heirbaan die vroeger in de buurt moet hebben gelopen.

 

Zijn gegevens over de vlucht zelf zien er op het eerste gezicht wel betrouwbaar uit. Hij put ze uit de door historici algemeen erkende en veelvuldig geraadpleegde biografie van C. Brandt en A. van Cattenburgh, Historie van het leven des Heeren Huig de Groot (1727). Daaraan ontleent hij dat Hugo de Groot op 22 maart 1621 na zijn vlucht uit Loevestein omstreeks 4 uur in de middag verkleed als metselaarsknecht samen met zijn gids, de metselaar Jan Lambertszoon, arriveerde in veilig Spaanse gebied bij een bevriende remonstrantse predikant in Waalwijk. Hugo genoot er de maaltijd en rustte uit. Lambertszoon regelde intussen een voerman die Hugo per kar naar Antwerpen zou brengen. Om 6 uur vertrok Hugo op de kar met de voerman naar Antwerpen.

 

Maar dan wordt Loffelds bestudering van de bronnen ineens minder doortimmerd. Hij beweert namelijk, dat er van Waalwijk tot aan de aankomst van De Groot in Antwerpen op 23 maart een hiaat in de officiële geschiedschrijving zit. Een uiterst merkwaardige en voor zijn onderzoek fatale fout. In werkelijkheid vervolgt de biografie van Brandt en Van Cattenburgh juist met cruciale informatie over wat het reisgezelschap meemaakt voordat Antwerpen is bereikt.

De onderzoeker is echter nu niet meer met de bron bezig en geeft zich over aan zijn eigen bespiegelingen. Hij schrijft: ‘Het is niet waarschijnlijk dat de reis in één ruk werd gemaakt: van Gorcum tot Antwerpen zou dat een kleine 100 kilometer zijn geweest. Van Waalwijk-centrum tot De Zwaan’ in Baarle is al 37,5 kilometer (per kar is dat wel zeven uur). Hugo moet ergens overnacht hebben, zeker na die eerste, spannende uren. Waar vond hij nachtlogies??’

Loffeld valt hier uit zijn rol van onbevangen onderzoeker en slaat aan het speculeren zonder nog aandacht te schenken aan wat er een paar zinnen verder in zijn belangrijkste bron vermeld staat: ‘Den ganschen nacht gereden hebbende, en nog eenige uuren van Antwerpen zynde, zag hy des anderen daegs eenige Soldaeten van den Spaenschen bodem op hem afkomen, die de kar deeden stil staen en hem naer zyn paspoort vraegden.

Het staat er zwart-op-wit: ‘Den ganschen nacht gereden hebbend…’ Oftewel: Hugo de Groot heeft die nacht geen bed gezien. De geschiedschrijvers waarop Loffeld zich – niet ten onrechte – baseert, sluiten een overnachting in Loveren zonder meer uit.

 

Het tweede deel van de zin bevat een minstens zo interessante aanwijzing. Hugo zag in de ochtend ‘eenige Soldaeten van den Spaenschen bodem op hem afkomen’. Zou dat niet een absurde mededeling zijn wanneer de reis helemaal door Spaans gebied (in casu via Loffelds omweg over Turnhout) was gegaan? Deze woorden krijgen pas betekenis tegen de achtergrond van een passage door Staats gebied. Hugo ontwaart soldaten die hem vanuit het Spaanse gebied tegemoetkomen en naar zijn paspoort vragen, wat onderstreept dat hij op veilige bodem is. Loffeld geloofde terecht niet in een vluchtroute via Breda. Maar hij twijfelde tussen de route over Loveren en die over Turnhout. Hij had zichzelf van die twijfel kunnen bevrijden door zijn bron beter te bestuderen. Daaruit blijkt namelijk zonneklaar dat Hugo de Groot via het Staatse gebied rond Loveren reisde.

 

Dat is nog niet alles. Over het tijdverloop vinden we in de biografie van Brandt en Van Cattenburgh een tweede belangrijke aanwijzing, nog steeds op dezelfde bladzijde, waar Loffeld jammerlijk aan voorbijgaat: ‘Voorts quam hy op de middag, tusschen twaelf en eenen, gezont en zonder ongemak binnen Antwerpen, …’ Wie met dat gegeven terugrekent tot Loveren, zal erachter komen, dat er helemaal geen tijd was om daar te overnachten.

 

Een reconstructie van het reisschema is op basis van de gegevens van Brandt en Van Cattenburgh namelijk vrij nauwkeurig te maken. Zeker als we enkele bijkomende omstandigheden in aanmerking nemen:

1. Het was die nacht aardedonker: op 23 maart 1621 was het nieuwe maan. (Die duisternis was in het voordeel van Hugo, want een nachtelijke raid door Staatse soldaten werd er aanzienlijk door bemoeilijkt.)

2. We weten hoe laat de zon onderging en opkwam: ’s avonds en ’s morgens omstreeks zes uur (lokale tijd zoals toen werd gehanteerd). Het was immers 22 maart, begin van de lente en equinox (een van de twee nachten per jaar die op heel de aarde even lang duren, namelijk twaalf uur).

3. Van de weersomstandigheden konden we geen historische gegevens vinden, behalve wat we uit het verhaal weten over het ruige weer eerder die dag in Gorinchem. De Groot had vanwege de storm moeite gehad een schipper te vinden die hem over de Merwede naar het Land van Altena wilde zetten. We moeten dus rekening houden met de mogelijkheid dat er zelfs geen schijnsel van de sterren was vanwege de bewolking. Verder zal het slechte weer in combinatie met het jaargetijde niet hebben bijgedragen aan de begaanbaarheid van de wegen.

Dit alles betekent dat het gezelschap – op de kar ‘metselaar’ Hugo de Groot met een reisgenoot, die hem vanaf Waalwijk begeleidde, paard ervoor, voerman waarschijnlijk met lantaarn ernaast – zich slechts stapvoets kan hebben voortbewogen: gemiddeld 4 à 4,5 km per uur. (Loffeld gaat ietwat optimistisch uit van 5 km per uur.) Het deel van de reis dat na zonsopgang werd gemaakt ging vermoedelijk iets sneller: het zicht was beter en de voerman kon eventueel meerijden op de kar of op het paard. Het allerlaatste stuk reed Hugo zelfs op een eigen paard, geëscorteerd door een ruiter: service van de commandant van de Spaanse garde, die, eenmaal op de hoogte van de ware identiteit van de reiziger, hem met alle egards op veilige bodem had verwelkomd. Aldus wederom de biografie van Brandt en Van Cattenburgh.

We berekenen nu bij benadering hoe laat Hugo Loveren kan hebben bereikt, hoe laat hij op Spaanse bodem kon zijn en hoeveel tijd er vervolgens nog nodig c.q. beschikbaar was om Antwerpen te bereiken.

De kar vertrok volgens de geschiedschrijvers uit Waalwijk bij het vallen van de duisternis, circa zes uur in de namiddag. Loveren, dat ruim 37 kilometer verder ligt, kan dan niet vóór twee uur ’s nacht zijn bereikt. (Ook Loffeld noemt dat tijdstip als vermoedelijk moment van aankomst in Loveren.) Om het Staatse gebied veilig achter zich te laten moest Hugo de Groot tot aan Hoogstraten zien te komen, vanaf Loveren 13 km verderop, oftewel ongeveer drie uur rijden. Om een uur of vijf, nog voor de dageraad kan Hugo dus veilige bodem hebben bereikt. Vandaar tot Antwerpen was het nog ongeveer 40 km. Het ging bij daglicht waarschijnlijk wat sneller, dus we schatten dat hij daar een uur of zeven over deed. Dat klopt dan perfect met het tijdstip van aankomst in Antwerpen dat we kennen: tussen twaalf en een uur in de middag. Met de zinsnede ‘Den ganschen nacht gereden hebbende, en nog eenige uuren van Antwerpen zynde’ is dat tijdschema eveneens volledig in overeenstemming.

De legendarische overnachting in herberg De Zwaan daarentegen past er van geen kanten in. Een korte stop in Loveren is nog denkbaar. Als de voerman de herberg kende, wist hij misschien een achterdeur waar hij in het holst van de nacht voor verse proviand kon aankloppen. Maar de meest veilige plek om zelfs zo’n korte pauze in te lassen was herberg De Zwaan, midden in Staats gebied, natuurlijk niet. Daarvoor waren herbergen in het Spaanse Tilburg, waar ze in de avond door waren getrokken, of Hoogstraten, waar ze in de vroege ochtend zouden passeren, beter geschikt.

 

Alles bijeen moeten we vaststellen, dat Hugo blijkbaar zoveel haast had om in Antwerpen te komen, dat hij er een nachtje doorhalen voor over had. Slapen was er even niet bij, hooguit nu en dan wat dommelen op de voorthobbelende kar. Misschien had de voerman vlak voor vertrek nog een middagdutje gedaan. Hugo zelf had maximaal een uurtje rusttijd gehad bij de remonstrantse dominee in Waalwijk. Zo vreemd is dat allemaal ook weer niet. Een nacht overslaan is natuurlijk niet onmogelijk. Iedereen heeft het weleens meegemaakt in een bijzondere situatie of anders wel bij een uit de hand gelopen feestje. Het staat vast dat een gezond mens daar geen schadelijke gevolgen van ondervindt. Hugo, op het moment van zijn vlucht bijna 38 jaar, was blijkbaar vitaal genoeg om dat aan te kunnen.

 

Wat de rol betreft van Loveren in de vluchtroute van Hugo de Groot weten we nu waar we aan toe zijn. Hugo de Groot is bij zijn vlucht naar Antwerpen vrijwel zeker gereisd via Tilburg, Loveren en Hoogstraten. De alternatieve route via Turnhout kan worden geschrapt (de alternatieve route via Breda heeft Loffeld zelf al – terecht – als ongeloofwaardig bestempeld). En de overnachting in herberg De Zwaan? Dat is echt een fabeltje.

 

Al met al blijft het verbazingwekkend, dat Loffeld zo selectief heeft geput uit de biografie van Brandt en Van Cattenburgh. Het heeft er alle schijn van dat hij zelf niet over het boek beschikte en enkel uit het verband gerukte citaten hergebruikte die hij elders had aangetroffen.

Minstens zo verbazingwekkend is het, dat sinds 1973 kennelijk niemand – ook niet de redactie van de Bosatlas van de geschiedeniscanon – de bron zelf erop heeft nagelezen. Dan zouden de vergeten sleutelpassages toch moeten zijn opgevallen.